Wie was Orlando Emanuels?

Orlando Emanuels (Paramaribo, 19 september 1927 – 13 maart 2018) staat bekend als een maatschappijkritische dichter en schrijver. Daarnaast genoot zijn werk voor kinderen grote populariteit.
Hij groeide op in een gezin met vijf kinderen. De familie behoorde tot de middenklasse: vader was landmeter, moeder tot haar huwelijk in 1924 apothekersassistente. Orlando werkte na het achtjarige MULO korte tijd op het ministerie van Financiën en bij Bruynzeel. In 1951 trad hij in dienst bij De Surinaamsche Bank, eerst als administratieve kracht, later als voorlichtingsman. In die hoedanigheid schreef hij anoniem talloze bijdragen aan het mede door hem in 1955 opgerichte personeelsblad Bank Notes en het bankorgaan DSB Koranti.
Emanuels maakte zijn literair debuut in het tijdschrift Soela in 1964. Veel van zijn werk verscheen onder zijn voornaam Orlando; in Soela ook onder het pseudoniem Cyrano.
In 1986 werd door het ministerie van Onderwijs de tweedelige serie Popki patu uitgegeven. Popki Patu Deel 1 en 2, Lees je wijs! Hoe bevorderen we leesplezier bij kinderen?, Els Moor - DBNL Popki patu is de naam van een kinderfantasiespel waarbij er ‘gekookt’ wordt. De serie bevat gedichtjes voor jonge kinderen over hun belevenissen, dieren, wensen, dromen en spelletjes met de taal. De serie is herhaaldelijk herdrukt. Meer gedichten van Orlando zijn opgenomen in verschillende taal- en leesboeken voor het basisonderwijs. Postuum (2020) verscheen bij Uitgeverij Ralicon Oompie Sem kleuters, met uitspraken van kleuters. Voor de oudere jeugd zijn er de verhalenbundels Verhalen voor de grotere jeugd en anderen (1993) en De spookavond van vrouw Anna (2001).
Zijn literaire werk voor het volwassen publiek omvat teksten die verspreid in tijdschriften en bloemlezingen terechtkwamen, de poëziebundels Onze misdaad van zwijgen (1969) en Getuige à decharge (1987) en de verhalenbundel Een handvol regen (2010).
Voor Getuige à decharge ontving hij de Literatuurprijs van Suriname over de jaren 1986-1988. Deze prijs was in 1983 ingesteld door het Surinaamse ministerie van Onderwijs en Cultuur. De prijs is maar viermaal uitgereikt. De laatste keer was in 1993. Met het verhaal Het merkteken won hij de eerste prijs in een verhalenwedstrijd die De Ware Tijd Literair in 1996 had uitgeschreven.
In 1988 won hij samen met componist Roy Mac Donald met zijn lied Boyo het Pikin Poku-festival, een festival van het kinderlied.
Onze misdaad van zwijgen verscheen in het tumultueuze jaar van de val van de regering van Jopie Pengel. De onrechtvaardigheid in het land, de corruptie en de ondervoeding op de achtererven brachten de dichter tot een week van koortsachtige schrijfactiviteit, resulterend in dertien korte gedichten. Uit Onze misdaad van zwijgen:
De verweerde ruiten
van het konservatisme
zijn beslagen met
vunzig horen, zien en zwijgen
ze staan op instorten
haal ze neer
Orlando’s stijl paste in die van de protestpoëzie van de jaren ’60. Opmerkelijk in Onze misdaad van zwijgen is wel dat hij uit een veel rijker woordarsenaal put dan de gemiddelde politieke auteur van die dagen. Een zin als `Hun gil kan een oplazer zijn voor het fossiele wereldgeweten’ is niet vrij van retoriek, maar de woordkeus is ongewoon.
Getuige à decharge verscheen in 1987, zes weken vóór de eerste democratische verkiezingen sinds 1977. Na de jaren van terreur, angst en censuur was dit de eerste bundel die verscheen als een reflectie op de maatschappelijke beroering van de jaren na de staatsgreep van 1980. Met welbewust gekozen woorden refereert Orlando aan de actualiteit; het gedicht dat begint met de regels `Gisteren/ toen woorden nog waren/ als brood’, verwijst naar de scholierenacties van begin 1987 tegen het regime-Bouterse onder de leuze `geen brood, geen school’. Slechts af en toe schuift het wrange protest opzij voor een beetje optimisme, ‘want de hoop’, dicht hij, ‘is andermaal gekruisigd’. In 1991 werd de bundel herdrukt.
Emanuels bleef in veel latere poëzieteksten, vooral die in de Ware Tijd en De West, een politiek dichter. Maar fijnzinniger ging hij te werk in een aantal teksten waarin verdriet, vertedering, afscheid, de weemoed om het ouder-worden de boventoon voeren. Dat is bijvoorbeeld het geval met het lange gedicht Zwarte engeltjes, verschenen in De Gids in 1990. Het is een lichtvoetig vers waarin een ik-figuur verhaalt over zijn gelukkige jeugd als `zwart engeltje’, tot plotseling het latere bewustzijn dit beeld verstoren:
de werkelijkheid van een wereld
waarin engelen altijd blank zijn
– regels die hernomen worden in de zelfbevestiging van het slot:
Dans en lach en wees gelukkig
de waarheid van je niet-bestaan
is slechts een blanke leugen.
Het gedicht roept sterke reminiscenties op aan Limbe van de négritude-dichter Léon Gontron Damas uit diens bundel Pigments (1937). Limbe is evenzeer een lied van een ontworteld individu dat oproept hem zijn zwarte pop terug te geven, waarmee een verstoorde idylle hersteld kan worden. Het gegeven van een werkelijkheid waarin engelen altijd als blank worden afgeschilderd, is in de Spaanstalige wereldwijd en zijd bekend, getuige ook het lied Angelitos negros, waarin een schilder wordt aangesproken met de woorden `pintame angelitos negros/ que también se van al cielo/ todos los negritos buenos’ [schilder mij zwarte engeltjes,/ want alle goede zwartjes/ gaan ook naar de hemel]. Het lied werd sinds de jaren ’50 ook in Suriname veel beluisterd.
Uit de verhalen spreekt hetzelfde meeleven met de vertrapten van de maatschappij als uit zijn poëzie. In Het merkteken (titelverhaal uit de gelijknamige bloemlezing uit 1997) heeft de bosnegervrouw Meersa zich het hof laten maken door een politieke propagandist die haar naar de stad haalde en haar vervolgens met haar kind liet zitten. Zij wil zich op de maatschappij wreken door hardwerkend voor haar zoon een goede opleiding te betalen. Dat lukt, tot hij in het leger moet. Meersa gaat daarop zelf een alfabetisatiecursus volgen, en bij de eerstvolgende verkiezingen schrijft zij eigenhandig op het stembiljet: `Fuck you’. Het is een typerend Orlando-verhaal: realistisch, met een helder plot en eenvoudig verteld. Het getuigt van een sterk meeleven met de zwakkeren in de samenleving en – evenals veel van zijn poëzie – een grote scepsis over het functioneren van politiek en leger.
Orlando’s werk voor volwassenen kenmerkt zich door maatschappijkritische standpunten. Toch zullen vele generaties hem vooral door zijn kindergedichten - zoals In de winkel van omu Sneysi, koop je rijst en gele pesi’ -, die in taal- en leesboeken voor het onderwijs werden opgenomen. Een gedicht dat velen uit het hoofd kennen is:
In een regenton
in een regenton
zat een kleine todo
die een liedje kwaken kon
kwekker-de-kwak
kwekker-de-kwik
de mooiste todo
dat ben ik
Bron: DBNL en Caraibisch Uitzicht.